Columns & opinies

Alles sal reg kom

Normaal gesproken laten mensen het uitzoeken van hun boekenkast over aan hun erfgenamen. Dat leek me wat gemakzuchtig, dus besloot ik het heft alvast in eigen hand te nemen. Ik stortte mij op een grote opruimactie. Wat bleek? In de loop der jaren had ik een indrukwekkende hoeveelheid boeken verzameld die voornamelijk één functie vervulden: stof verzamelen. Dozen vol verdwenen richting kringloopwinkel.

Maar elk nadeel heb z’n voordeel. Tussen alle overbodige ballast doken namelijk ook vergeten schatten op. Zo vond ik een mapje met korte verhalen die ik als zestienjarige had geschreven. Ik was ervan overtuigd dat die ooit bij het oud papier waren beland, maar nee hoor, ze hadden de tand des tijds overleefd. Bij herlezing bleken ze nog slechter dan ik me herinnerde. Vol bombastische zinnen, existentiële wanhoop en drama van het soort dat alleen een puber kan produceren. Literair gezien geen hoogtepunt, maar toch leuk genoeg om te bewaren.

Het echte juweeltje was echter een klein boekje dat ik volledig vergeten was. Moord en brand in de boekenwereld, geschreven door Chris Tholen en uitgegeven door de KVB in 2013. Het vertelt het verhaal van de introductie van de pocket in Nederland. Ik sloeg het open en las het in één ruk uit.

Wat daarin vooral opvalt, is hoe voorspelbaar de geschiedenis zich gedraagt. Toen uitgeverij Spectrum in de jaren vijftig begon met pockets, reageerde het boekenvak met grote argwaan. Een écht boek hoorde gebonden te zijn, vond men. Het moest gewicht hebben, letterlijk én figuurlijk. Bovendien hoorde er een fatsoenlijk prijskaartje aan te hangen. Die goedkope pockets waren een bedreiging voor alles wat een boek hoorde te zijn. Ze leverden boekverkopers ook nog eens minder marge op. Tot overmaat van ramp maakten uitgevers gebruik van zogenoemde rackjobbers, waarbij zij zelf de schappen en voorraden beheerden.

Toch gebeurde er iets vervelends voor de critici: lezers vonden die pockets hartstikke handig. Bij sommige winkels zorgden ze uiteindelijk voor de helft van de omzet. Dan kun je principieel tegen zijn, maar een volle kassa heeft vaak een overtuigingskracht waar geen ideologie tegenop kan.

In het boek wordt een parallel getrokken met de opkomst van het e-boek. Ook toen in 2013 waren de reacties verdeeld. Sommigen zagen een glorieuze toekomst, anderen voorspelden de ondergang van het boek. Aan de zijlijn stonden visionairs die uitlegden dat papier zijn langste tijd had gehad. Waarom zou je nog een zwaar blok papier meeslepen als duizenden boeken op één apparaat passen?

Nu zijn we dertien jaar verder en blijkt de werkelijkheid een stuk minder revolutionair. Het e-boek heeft zijn plek gevonden, maar van een totale overname is geen sprake. Nog steeds bestaat meer dan negentig procent van de boekenverkoop uit papieren boeken. Het fysieke boek blijkt opmerkelijk taai. Mensen houden kennelijk van papier, van bladeren, van een boekenkast die eigenlijk te vol staat.

Misschien is dat een les die verder reikt dan het boekenvak. Vrijwel iedere nieuwe technologie wordt aangekondigd als het einde van iets bestaands. De stoomtrein zou koeien van de melk brengen. De pocket zou het boek vernietigen. Het e-boek zou papier overbodig maken.

En nu is AI aan de beurt.

Voor de één een wondermiddel, voor de ander een nachtmerrie. Maar als de geschiedenis iets leert, dan is het dat nieuwe technologieën zelden alles vervangen. Ze voegen iets toe. Zolang er schrijvers

zijn, zullen er boeken zijn die door mensen geschreven worden. En voor de boeken die niet per se door mensen geschreven hoeven te worden, kan AI best een nuttig hulpmiddel zijn.

Kortom: geen paniek. Het boek heeft al grotere stormen doorstaan. Alles sal reg kom.

Hans Bousie